Ingezonden

________________________________
Ouder en zeker niet alleen                                           12 maart 2018

Groepswonen. Op oudere leeftijd in een groep wonen: goed tegen onder meer eenzaamheid. Maar lang niet iedereen is er geschikt voor.

Door Rineke van Houten 

Elsiet de Groot (78) stelde zich op jonge leeftijd al voor hoe ze later met man en
kinderen onder een dak zou wonen met andere gezinnen. „Met elkaar dingen opbouwen en van elkaar leren.” Wonen in een groep kwam er twee jaar geleden pas van, toen ze verhuisde naar Mariëngaarde, een woongemeenschap ‘voor oudere kunstenaars en kunstvrienden’ aan de rand van Tilburg. In haar eentje, maar tot haar grote vreugde.

Tijdens haar eerste bezoek aan Mariëngaarde gingen de gesprekken over de
tentoonstelling in de expositieruimte, niet over bingo en pijntjes. „Ik was blij
verrast. Dit was precies wat ik zocht.” Van de grootste slaapkamer in haar
huurappartement van bijna tachtig vierkante meter zou ze een atelier maken. Ze zou kunnen samenwerken met gelijkgestemden, „letterlijk op mijn sloffen” naar het koortje of de gezamenlijke werkplaats lopen. In de brief waarin ze zichzelf
voorstelde somde ze haar plannen op: een leesclub beginnen, workshops geven. „En ik onderstreepte dat idealen je de das kunnen omdoen als je te hoge verwachtingen koestert. Niet alle mensen zijn zo positief als ze zich voordoen en niet alle mensen denken hetzelfde als jij.”

Het animo onder ouderen om in een groep te gaan wonen groeit. Precieze cijfers
ontbreken, maar de Landelijke Vereniging Gemeenschappelijk wonen van Ouderen (LVGO) schat dat Nederland vier- tot vijfhonderd woongemeenschappen voor 50-plussers telt.
Naar schatting wonen acht van de tien groepen in een pand van een woningcorporatie; het aantal initiatieven in de particuliere sector stijgt wel. Denk aan bijvoorbeeld een groepje vrienden dat samen een pand zoekt of zelf gaat bouwen.

Fietsen de trap op tillen

Steun, gezelligheid en langer zelfstandig wonen zijn de belangrijkste redenen om
elkaar op te zoeken, blijkt uit een recente enquête van de LVGO. Neem Marga Koppers (62) uit Den Haag, die zich niet meer thuis voelde in haar buurt en het moment vreesde dat haar man zou wegvallen. „Zou ik dan de deur helemaal niet meer uit komen?” Of Henk Schols (60), die jaren geleden met zijn vrouw hun woning op één hoog vaarwel zegde. „We vroegen ons af: hoelang tillen we onze fiets nog het trapportaal omhoog?” Koppers en Schols wonen nu tot hun grote tevredenheid in Wateringse Hof, een cluster huurappartementen van een corporatie in een grote nieuwbouwwijk aan de rand van Den Haag. „Eerlijk gezegd voelde het eerst als een bejaardenhuis”, zegt Koppers in de ontmoetingsruimte van de groep op de eerste verdieping. „Ik zag een hoop grijze krullen, veel rollators. Wat deed ik daar? Wilde ik dat wel?” Maar ze voelde zich welkom en bezocht de koffieochtenden en borrelmiddagen net zolang tot er een appartement vrijkwam.

Haar kinderen vinden het geweldig. „Ze zeggen: ‘Je had het niet beter kunnen doen.’ Het is goed voor hen en goed voor ons. Ze hoeven zich geen zorgen te maken als ik ziek ben en hebben een gelukkige moeder gekregen.”

Henk Schols staat op om koffie bij te schenken en loopt naar de open keuken van de gezamenlijke ruimte, ter beschikking gesteld door de woningbouwcorporatie en vrijwel geheel in beslag genomen door lange tafels bedekt met lichtgele kleedjes. In de hoek staat een opgevouwen biljart, aan de witgesausde muren hangen prenten van bloemen in pastelkleuren. Het is er nu stil en leeg, maar foto’s op de site van Wateringse Hof getuigen van drukbezochte borrels, etentjes en voorstellingen.

Als het ware in een dorp wonen

Al doende ervoeren Schols en Koppers, respectievelijk secretaris en voorzitter van de huurdersvereniging, wat het groepswonen voor hen betekent. Koppers zegt: „Als je jonger bent, zoals ik, moet je veel geven. Ik heb de energie nog om een uitje te organiseren, mee te helpen met de paasbrunch, een bestuursfunctie te bekleden. Ik redeneer: als ik het deze mensen nu naar de zin maak, maken anderen het mij later naar de zin.”

Wateringse Hof, met 24 huishoudens, let erop dat de bewoners niet allemaal even oud zijn. Dan zou je op een bepaald moment allemaal tegelijk te oud zijn om nog veel te ondernemen of elkaar te ondersteunen. „Dan zakt zo’n groep in”, zegt Kees Penninx, die samen met Yvonne Witter het handboek Woondromen 55+ schreef. Het bevat een lijstje met kenmerken van de ideale groepsbewoner. Zoals: op tijd je grenzen kunnen aangeven, graag het initiatief nemen en niet altijd je gelijk willen halen.

„Slechts een op de vijf 50-plussers is een typische ‘samenlever’”, schat Penninx op
basis van verschillende leefstijlonderzoeken. Wie groepswonen overweegt , doet er dus verstandig aan kritisch naar zijn eigen leefstijl en karakter te kijken.
Bovendien is het belangrijk om conflicten of ergernissen te bespreken, zegt Penninx.
„Veel groepen worstelen ermee. Door op tijd te praten over irritaties kun je
verschillen overbruggen en escalatie voorkomen.”

„Je moet beseffen dat je als het ware in een dorp gaat wonen”, glimlacht Marga
Koppers. „Praatjes doen snel de ronde, net de Haagsche Courant . Er is altijd wel
geroezemoes. We laten het een tijdje sudderen en gaan er dan tegenaan hangen. ‘Joh, vertel het nou eens, wat is er aan de hand?’ Grote conflicten zijn hier bij mijn
weten nooit geweest.” Schols vult aan: „Om in een groep te wonen moet je sociaal
zijn en respect tonen. We zijn een vereniging, geen hotel, je moet geven en nemen.
Er zijn altijd mensen die na de hightea staan te kletsen in plaats van de tafel af
te ruimen. Daar kun je je druk over maken, maar dat heeft geen zin.”

Klagen over de baklucht

Elsiet de Groot wil niet meer weg uit Mariëngaarde. Samen tekenen in de tuinkamer, gymnastiek op woensdagochtend, het koortje en de leesclub: de dagen zijn goed gevuld. Maar ze zucht van ongeloof als ze opsomt waar sommige medebewoners over klagen. „De baklucht van een appeltaart, lachen op een balkon om half elf ’s avonds, koffie schenken met mensen van buiten.”

In de woongemeenschap is al jaren sprake van een tweedeling, zegt ze. „Dominante negatieve figuren proberen alles tegen te houden wat met gezelligheid en feestelijkheid te maken heeft.” Ze probeert zich er niets van aan te trekken. „De mensen met wie ik optrek inspireren elkaar en we doen leuke dingen.”

Anne Lutje Schipholt (68) heeft seniorencomplex Spaanse Hof in Den Haag langzaam zien veranderen sinds ze er in 2000 kwam wonen. Aanvankelijk zorgden nonnen die er woonden voor de sociale cohesie. „Elke ochtend werd er koffie geschonken. Er waren kaart- en bingoavonden, we vierden samen kerst en Oud en Nieuw. In de bewonerscommissie zaten mensen die elkaar goed aanvulden.” Maar de nonnen vertrokken, de commissie veranderde, de sociale samenhang verdween. „Omdat de drempel voor een verzorgingshuis steeds hoger wordt, wonen hier nu ook zeer kwetsbare en hulpbehoevende mensen. Samen iets ondernemen wordt steeds moeizamer.
Intussen verzuurt een klein groepje bewoners de sfeer. Het ene verbod volgt het
andere op. Kinderen mogen niet over het schelpenpad lopen omdat de schelpen dan beschadigen, mijn scootmobiel mag niet op de gang staan en ga zo maar door.”
Bemiddeling heeft nog geen rust gebracht.

Lutje Schipholt geniet zo veel mogelijk van de zon op haar balkon en het lezen van
de krant in het gezellige grand café vlakbij. Na bijna twintig jaar heeft ze geleerd: „Wonen in een groep is net het echte leven.”

bron: NRC-Next.

 

 

Beschermd wonen ……


 In Nederland krijgen we te maken met een forse achterstand in de bouw van
appartementen voor 65-plussers, met name als het gaat om beschermd wonen met diensten in combinatie met lichte zorg.

Tot 2015 waren de verzorgingshuizen een collectieve voorziening, bekostigd door de AWBZ. Nu alleen de zware verpleeghuiszorg onder de Wet Langdurige Zorg valt, moeten ouderen langer zelfstandig thuis blijven wonen, met alle problemen van dien.

De behoefte aan beschermd wonen met diensten en zorg zal de komende jaren enorm toenemen. Om goede huisvesting voor ouderen met relevante diensten en zorg op afroep te realiseren, zal er regionaal moeten worden samengewerkt.

Ouderenzorg-instellingen, gemeenten, woningbouwcorporaties, bouwers, beleggers, pensioenverzekeraars, dienstverleners, zorgverzekeraars en banken en zullen de handen ineen moeten slaan om de achterstand in “Senior Housing”, die in Nederland aan het ontstaan is, op tijd in te lopen.

Het “verzorgingshuis nieuwe stijl” gaat er komen!

Terug naar het oude verzorgingshuis ?
In augustus dit jaar deed Jan Bouma (93), oud directeur van een verzorgingshuis, in de NRC een oproep om het verzorgingshuis nieuw leven in te blazen. Zijn pleidooi was: “Wat mij betreft is het wenselijk dat er meer in plaats van minder verzorgingshuizen komen. Daarmee zouden de moeilijkheden in de keten van zorg voor ouderen als sneeuw voor de zon verdwijnen, de capaciteit van de spoedeisende hulp zich wonderbaarlijk vermenigvuldigen en de sterfte onder bejaarden als gevolg van vallen drastisch afnemen”.

Verzorgingshuiscapaciteit is afgebouwd

Motto van het vorige kabinet Rutte-Asscher was: “langer zelfstandig thuis”.
Technologie, domotica en wijkverpleging zouden een goed alternatief zijn voor het verzorgingshuis. De transitie van de ouderenzorg is nu goeddeels achter de rug.
Het aantal lage ZZP’s die al lang niet meer geïndiceerd worden zijn
gedecimeerd, anders gezegd, de intramurale verzorgingshuisplaatsen zijn inmiddels fors afgebouwd. In een aantal voormalige verzorgingshuizen wordt nu door de ouderen gehuurd en krijgt men wijkverpleging. Veel van deze oudere
verzorgingshuizen en aanleunwoningen voldoen echter niet meer aan de eisen van vandaag. Terwijl er wel een behoefte aan het ontstaan is aan beschermd wonen, waarbij de bewoners “ontzorgd” willen worden.

Gevolgen voor wijkverpleging het grootst

Juist in de extramurale ouderenzorg is veel aan de hand. Er zijn moeilijkheden in
de keten van zorg voor ouderen. Mantelzorgers hebben het zwaar. Hun partner
behoeft steeds zwaardere zorg, waar ze vaak alleen voor staan. De ziekenhuizen
liggen vol met ouderen, die gevallen zijn of een beroerte hebben gehad en daarna
geriatrische revalidatiezorg nodig hebben. Terug naar huis is vaak geen optie,
waardoor opname in een verpleeghuis, tijdelijk of langdurig, het gevolg is.

Veel aandacht voor de verpleeghuizen

Door de transitie in de ouderenzorg is er veel aandacht gekomen voor het
verpleeghuis. De zorg die daar nodig is, is veel zwaarder geworden. De gemiddelde verblijfsduur in een verpleeghuis is nog maar 8 maanden. De eisen die worden gesteld aan het (schaarse) verplegende personeel zijn toegenomen. Naast de politiek en de media heeft ook de Inspectie voor de Volksgezondheid het vergrootglas op de verpleeghuis gezet. Gevolg is dat er extra gelden worden
vrijgemaakt voor de verpleeghuiszorg, € 435 mln. in 2018 tot wel € 2,1 mld.
extra in 2021 en de jaren daarna. Hierdoor moet de kwaliteit van de
verpleeghuizen aanzienlijk kunnen verbeteren.

Waarom zo weinig aandacht voor de wijkverpleging?

Even terug naar de wijkverpleging. De lichtere ouderenzorg wordt sinds de
transitie niet meer uitgevoerd binnen de muren van de zorginstellingen. De
Thuiszorg (verpleging en verzorging) valt sinds 2015 onder de
zorgverzekeringswet. In het Budgettair Kader Zorg staat voor de wijkverpleging
een budget voor 2018 geraamd van € 3,7 mld. In de meerjarenraming van VWS wordt niet gerekend met enige groei van de wijkverpleging!? Gezien de demografische ontwikkelingen, zal er in de nabije toekomst een veel groter beroep gedaan gaan worden op de wijkverpleging. Met een plafond van € 3,7 mld. kunnen deze mensen echt niet allemaal geholpen worden. De ellende achter de voordeur zal alleen maar groter worden. Waarom kijkt de media en de politiek alleen maar naar de verpleeghuizen? Waarom is er zo weinig aandacht voor de wijkverpleging en de problemen en behoeften van ouderen die nog thuis wonen?

Toch maar weer verzorgingshuizen of bejaardenoorden?

Jan Bouma deed in NRC een oproep om de verzorgingshuizen nieuw leven in te
blazen. Met zijn verhaal legde hij de vinger op de zere plek. We hebben met
elkaar een opdracht. Terug naar vroeger is denk ik niet de oplossing. Wel zouden
we veel maatschappelijk leed kunnen voorkomen, door ouderen veilig te laten wonen in de nabijheid van zorgcentra waar vanuit zorg geleverd kan worden. Geclusterd wonen met gemeenschappelijke faciliteiten, zoals restaurants, winkels en ruimtes voor gezamenlijke activiteiten. In België noemen ze dit
“assistentiewoningen”, appartementen -in de nabijheid van een verpleeghuis
met zwaardere zorg- waar een pakket diensten en lichte zorg kan worden afgenomen.
De moeilijkheid is, om dit betaalbaar voor iedereen te kunnen aanbieden. Er zijn
voldoende initiatieven voor de ouderen met een redelijk inkomen of vermogen. De kunst is om een pakket wonen, diensten en zorg te kunnen aanbieden, dat
bereikbaar is voor mensen met alleen AOW en een zeer klein pensioen. Er zijn al
initiatieven in Nederland gericht op dementerende ouderen, waar mensen met een Persoonsgebonden Budget geplaatst kunnen worden. Helaas zijn er onvoldoende initiatieven waarbij ouderen geclusterd kunnen wonen met de keuze uit allerlei diensten, waarbij wijkverpleging wordt geleverd.

Wie gaat aan de slag met het verzorgingshuis 2.0?

Veel ouderenzorg-instellingen zijn nu bezig met hun strategische vastgoedplannen.
Zij kunnen dat niet alleen. Er ligt ook een taak voor woningbouwcorporaties als
het gaat om de sociale huisvesting van ouderen. Ook projectontwikkelaars en
beleggers kunnen een grotere rol spelen in de ontwikkeling van geclusterd
vastgoed voor ouderen. Door samenwerking in de regio, ook met gemeenten die een visie hebben op wonen en zorg, kan het verzorgingshuis van de toekomst verder ontwikkeld worden. Voor de financiering zal er een beroep gedaan worden op banken, maar ook op (vastgoedfondsen van) pensioenverzekeraars. De politiek en de zorgverzekeraars zouden het concept wijkverpleging opnieuw tegen het licht moeten houden.

België

Wat kunnen we leren van de Belgische “assistentiewoningen”? Het succes zit in
een aantal zaken: betaalbaarheid, nabijheid van een zorgcentrum met volledige
zorg en vooral locatie. De assistentiewoningen in de stad en in de wijk, doen het
beter dat in de periferie van de stad. De voordelen voor de ouderenzorg-instellingen zijn evident. Het personeel kan zowel ingezet worden in
het verpleeghuis als in de assistentiewoningen. Ook kan gebruik gemaakt worden van dezelfde faciliteiten (restaurants, winkels, gezamenlijke ruimtes voor activiteiten). Voordelen voor de bewoners van de appartementen is, dat ze
voorrang krijgen om opgenomen te worden in het verpleeghuis, mocht dat nodig
zijn.

Verzorgingshuis van de toekomst

Hoe deze vorm van ouderenzorg dan heet is minder relevant. Aanleunwoning?
Bejaardencomplex? Assistentiewoning? Serviceflat? Wat mij betreft krijgt het
juist geen specifieke naam. Het zijn appartementen voor mensen, die bepaalde
zaken willen uitbesteden en hiervoor diensten afnemen en de zekerheid willen
hebben dat ze alle zorg kunnen krijgen als dat nodig is. Zeker voor de oudere
alleenstaanden geldt dat veiligheid en een nabij sociaal netwerk belangrijke
waarden zijn. Laten we de komende generatie ouderen omarmen door hen waardig te bejegenen met zorg en aandacht, door deze opdracht met elkaar op te pakken.

(bron: ING)

_________________________________________________________________

Mooi oud worden is niet jong blijven
(ingezonden door Ruud Nouwen)

Net als de vrouw bijna vijftig jaar geleden moet de oudere zich emanciperen. Weg met zielig, machteloos en uitgerangeerd. Op naar zelfbeschikking en zelfontplooiing, schrijft Hedy d’Ancona.
Soms word ik aan een publiek voorgesteld. Als de presentator mijn leeftijd vermeldt – „Allemachtig, bijna tachtig!” – barst steevast in het publiek het applaus los. Waarom? Omdat ik al 79 jaar in- en uitadem? Het is om je dood te schamen.
Wij ouderen zijn met velen, en met steeds meer; een toenemend aandeel van de bevolking. Het CBS voorspelt tussen nu en 2040 een groei van 3 naar 4,8 miljoen 65-plussers. Door de langere levensverwachting groeit het aandeel van de 75-plussers, nu 1,2 miljoen, nog harder. Maar ondanks die ‘dubbele vergrijzing’ wordt ervan uitgegaan dat, bij ongewijzigde politieke opvattingen, niet meer dan 8 procent van de ouderen hun laatste levensfase in een verpleeghuis zal doorbrengen.
We worden namelijk niet alleen ouder, we brengen ook meer jaren in redelijk goede gezondheid door. De gezondheidszorg voorziet ons tijdig van nieuwe gewrichten, lenzen en hartkleppen en bedient ons met medicijnen die onze ouderdomskwalen beheersbaar maken en ons overeind houden.
Ouderen leggen daarom een buitenproportioneel beslag op de gezondheidsuitgaven. Daarnaast betekent de grotere afname van pensioenafdrachten een premiestijging voor de nog werkenden. En ten slotte wordt de gemeenschapskas nog eens extra belast omdat er langer genoten wordt van allerlei toeslagen en uitkeringen.
Kortom, de ouderen vormen een kostenpost van betekenis en daar worden ze vaak aan herinnerd. Dat het leven voor veel mensen daardoor ook prettiger is geworden, hoor je minder vaak. Ook niet uit de mond van ouderen zelf. Hoewel Nederland tot de veiligste en welvarendste landen behoort, zijn veel ouderen knorrig. Het CBS registreerde in 2016 de grootste kloof ooit tussen de geluksgevoelens van 65-plussers en jongere generaties.
Er zijn natuurlijk wel blije ouderen te vinden. Niet zo vreemd ook: internationaal gezien is de situatie van ouderen beter dan in de meeste landen om ons heen. Maar er lopen meerdere scheidslijnen tussen ouderen. Hij is aanwezig tussen de cans en cannots, tussen hen die wel of niet hun weg weten te vinden in de bureaucratie. En hij is er tussen degenen die met het verdwijnen van de verzuiling hun identiteit verloren en nog steeds op zoek zijn en zij die inmiddels andere ‘onderkomens’ vonden. Ze gingen zingen in een koor, tuinieren, als vrijwilliger aan de slag of werden lid van een sportvereniging.
Ondanks die verscheidenheid in het beleven van de ouderdom, is de beeldvorming erover een stuk overzichtelijker. Als het in de media over ouderen gaat, gaat het om eenzaamheid en aftakeling, om behoefte aan zorg, eigen zingeving en maatschappelijke betekenis.
De deernis die dit oproept, bleef niet onbeantwoord. Omroep Max, de ChristenUnie en enkele ouderenorganisaties presenteerden kort geleden het manifest Waardig Ouder Worden; het herwaarderen van de ouderdom. De achterliggende gedachte was dat ideeën over voltooid leven wel zouden opdrogen als we ouderen verstrooiing zouden bieden, als we hen uit de eenzaamheid zouden verlossen door samen te eten of een kopje thee te drinken, om maar enkele van de paternalistisch aandoende aanbevelingen te noemen.
De stereotypering van ouderen als uitgerangeerd en zielig en vooral machteloos, staat – gezien ons aantal – in schril contrast met de macht die we in het stemhokje hebben. Het is een discrepantie die de democratie verzwakt. Want hoe kun je oordelen over het publieke domein als je er zelf steeds minder mee in aanraking komt. Als je nooit wordt uitgedaagd, bevraagd of gedwongen je te vernieuwen. Als de waardigheid en het respect dat men volgens het manifest aan ons, ouderen, moet betonen, vooral te maken heeft met het gegeven dat we nog overeind staan.
Deze ‘zachte uitsluiting’, beleefd en respectvol naar de zijlijn worden gedirigeerd, had bij de jongste verkiezingen tot gevolg dat veel 50Plus-stemmers zich lieten leiden door eigenbelang en revanchisme. Angst voor het eigen pensioen en voor de veranderingen in een wereld waarop je geen grip meer hebt. Het is niet moeilijk om dergelijke gevoelens van individueel onbehagen te mobiliseren en politiek te exploiteren. Kennelijk gaat het vooral om een soort erkenning dat je als oudere hoe dan ook ‘gepakt’ wordt. Henk Krol weet dat pakkend uit te dragen.
Maar we moeten ons evenmin in de luren laten leggen door de mantra’s die de participatiesamenleving voor ouderen in petto heeft: de eigen verantwoordelijkheid en het zo lang mogelijk blijven bewonen van het eigen huis. Dat lijken doorzichtige verpakkingen voor bezuinigingen op de Wet Maatschappelijke Ondersteuning en voor het verhogen van de drempel om naar een verpleeghuis te gaan.
Bovendien zal de benodigde hulpvaardigheid voor ouderen voor een belangrijk deel moeten komen van de 65-plussers die nog wel fit genoeg zijn. Dat dan weer wel! Want als we met een driedubbele longontsteking op bed liggen, hoeven we niet op onze kinderen of buren te rekenen. Wij zijn degene die overdag de pakjes aannemen, zij werken. Dat neem ik ze allerminst kwalijk, daar heb ik ze als feminist immers zelf toe aangemoedigd. Maar het geeft aan dat het begrip participatiesamenleving weliswaar heel veilig klinkt, maar niet goed doordacht is. Volgens Kim Putters, directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau, is het ook niet voor niets dat de grote politieke stromingen zich er allemaal in konden vinden. De liberalen vanwege de grenzen die er aan de verzorgingsstaat gesteld werden, de sociaal-democraten vanuit de gedachte dat we beter voor elkaar gaan zorgen en de christen-democraten omdat het de belofte bevat van herleving van het maatschappelijke middenveld.
Er zijn nog andere slecht doordachte gevolgen van de participatiesamenleving te noemen, zoals het potdicht raken van de woningmarkt. Voor jongeren zal het nog moeilijker zijn om aan een betaalbaar huis te komen, terwijl veel ouderen in huizen blijven waarin ze niet meer passen. Natuurlijk zijn er best oplossingen te vinden. Vraag architecten om mini-huizen te ontwerpen of kijk goed naar een paar praktijkvoorbeelden waarin ouderen en studenten samenwonen in leegstaande gebouwen die daarvoor werden ingericht.
Maar dat zo veel beleid, onderzoek en toekomstvoorspellingen zo weinig doordacht overkomen, is het gevolg van de stereotiepe beeldvorming over ouderen; zielepieten die zorg behoeven, al mag dat niet te veel in de papieren lopen.
Die beeldvorming barricadeert de emancipatie van ouderen. Zelfbeschikking en zelfontplooiing, de belangrijkste kenmerken van de vrouwenbevrijding in de jaren ‘70, staan nog in de kinderschoenen als het om ouderen gaat. De zelfbeschikking van vrouwen manifesteerde zich met name rond de abortuswetgeving. ‘De Vrouw Beslist’ en ‘Baas in eigen Buik’ waren strijdkreten op spandoeken die konden worden opgerold toen in 1984 abortus werd gelegaliseerd. Eenzelfde beslissingsrecht zou nu voor ouderen gerealiseerd moeten worden als het gaat om het voltooide leven. Alleen al daarom kun je met enige huiver naar de uitkomst van de formatie kijken.
Wat de ontplooiing betreft, moeten we af van de gedachte dat er zoiets als karakteristieke ouderenontplooiing bestaat. Dat tevredenheid en geluk kunnen worden ontleend aan een middag bingo in de week, zoals op televisie te zien was toen Ede was uitgeroepen tot de gelukzaligste gemeente in Nederland. In werkelijkheid zijn er heel veel ouderen die voor zichzelf de lat hoog blijven leggen, die nieuwsgierig blijven, die achter- en ook vooruit kijken. Ik ontmoette ze de afgelopen vier jaar bij presentaties van Lang Leve Kunst, een landelijk programma waaraan meer dan 400.000 ouderen meededen. Ze gingen een instrument bespelen, ballet dansen, schilderen of fotograferen, om maar enkele voorbeelden te noemen. Ambitie en passie gaan kennelijk niet met pensioen, de wens om je te ontplooien is geen andere dan die van jongeren.
Mijn observatie wordt betekenisvoller door de bevindingen van de filosofe Hanne Laceulle in haar aan dit onderwerp gewijde proefschrift. Ook zij verwerpt het ‘verval-’ en het ‘trotseerperspectief’ (zo lang mogelijk jong blijven) en de daarbij behorende beeldvorming.
Volgens haar is goed ouder worden een proces waarin je steeds meer wordt wie je bent. Ik heb gezien dat het in de weer zijn met kunst daartoe een belangrijk instrument is. Oudere mannen en vrouwen die iets doen waar zij in hun leven niet eerder het geld of de tijd voor vonden. Die zich ontwikkelen en uitdagingen aangaan. Confrontatie met kunst verschaft je de mogelijkheid je open te stellen, dat laten ook de museumprogramma’s zien die zich richten op – vaak oudere – mensen met niet-aangeboren hersenafwijkingen. Samen fotograferen, ouderen met een leerling van een basisschool in hun buurt, zoals bij een door de Openbare Bibliotheek Amsterdam en het foto-instituut Foam ontwikkeld project, laten je de wereld zien door de ogen van de ander. Dat maakt het mogelijk om, los van jezelf en je eigen dagelijks gedoe, belangen af te wegen en is daardoor een toegangspoort tot democratisch burgerschap.
Net zoals de vrouw bijna vijftig jaar geleden, moet de oudere het niet langer pikken om zich in een keurslijf te laten wringen van een maatschappelijk voorgeschreven rol. Weg van de stereotypering. Op weg naar emancipatie, naar zelfbeschikking en zelfontplooiing. Een overheid die dat faciliteert, levert een bijdrage van belang aan onze democratie.

 

Hedy d’Ancona geeft op 28 mei de Socrateslezing van het Humanistisch Verbond, een commentaar op maatschappelijke ontwikkelingen vanuit een humanistisch perspectief. Haar lezing wordt om 15.00 uur live uitgezonden op de Facebookpagina van het Humanistisch Verbond en op socrateslezing.nl.
Hedy d’Ancona is sociologe, politica en feministe. Samen met Joke Kool-Smit richtte zij in 1968 de feministische actiegroep Man Vrouw Maatschappij op. Ook was zij een van de oprichters van het feministische tijdschrift Opzij.
Voor de PvdA zat D’Ancona in de Eerste Kamer en in het Europarlement. In het kabinet Lubbers-II was ze staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid; in Lubbers-III werd ze minister voor Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur.

Dit artikel werd gepubliceerd in NRC Handelsblad op Zaterdag, 27 mei 2017, pagina 4 – 5


 

Lezing voor de KBO-themabijeenkomst over:
‘Ouder worden in verbondenheid met anderen’

Berkel, 13 februari 2017

Prof. Dr. Jenny Gierveld,

Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut (NIDI), Den Haag,
Faculteit Sociale Wetenschappen, Vrije Universiteit, Amsterdam.

Jenny Gierveld doet al ruim 50 jaar onderzoek naar eenzaamheid. Zij karakteriseert eenzaamheid als onvrijwillig, negatief, subjectief/ persoonlijk (het zit van binnen en je kunt het aan de buitenkant niet zien). Het kan zijn dat je minder sociale contacten hebt dan je wenst, maar het kan ook zijn dat de kwaliteit van je contacten niet voldoet aan je verwachtingen. Waar de één al tevreden is met één hartsvriend(in) zal een ander dat ontoereikend vinden: hoe hoger je de lat legt, des te groter de kans dat je eenzaam bent.

Eenzaamheid is van alle leeftijden

Mensen in onze samenleving hebben de indruk dat je allemaal goed geslaagd behoort te zijn in het leven. Daar hoort bij dat je gelukkig zou moeten zijn. Maar dat is een verkeerd beeld van de werkelijkheid. Ieder mens maakt in het leven (ernstige) zaken mee, dat kan ook eenzaamheid zijn. Toch geven mensen niet snel toe dat ze eenzaam zijn. Er rechtstreeks naar vragen levert dan ook geen goed beeld op van eenzaamheid (onder-rapportage).

Mensen die (sterk) eenzaam zijn zitten in alle leeftijdsgroepen. Onder jongeren bijvoorbeeld onder degenen die gepest worden, die te maken hebben met een beperking, die gekenmerkt worden door autisme of door psychiatrische problemen. Onder de 75-plussers gaat het verminderen van gezondheid een rol spelen, maar vooral ook het verlies van de partner, van zussen en broers en andere leeftijdsgenoten. Vergeet niet dat ook in de leeftijdscategorieën van 35 tot 55 jaar veel eenzaamheid voorkomt, terwijl die mensen daar slechts sporadisch over spreken. Het betreft dan bijvoorbeeld mensen die net een scheiding achter de rug hebben en alleen wonen of moeders die alleen de zorg hebben voor opgroeiende kinderen.

Aan eenzaamheid liggen vaak meerdere oorzaken tegelijk ten grondslag: bijvoorbeeld een combinatie van een beperking of ziekte enerzijds en het ontbreken van een relatie of het hebben van en slechte relatie anderzijds. Ook factoren op het niveau van de samenleving spelen een belangrijke rol.

Wanneer we de West-Europese landen (België, Frankrijk, Duitsland en Nederland) vergelijken met landen in Oost-Europa (Rusland, Bulgarije, Georgië) zien we dat de intensiteit van eenzaamheid systematisch veel hoger ligt in Oost-Europa dan in West-Europa. Verschillen in bruto-nationaal product, in de afwezigheid van een goed gezondheidssysteem en moeilijkheden om de eindjes aan elkaar te knopen in het huishouden waarin oudere mensen leven, zijn verklaringen voor deze verschillen in intensiteit van eenzaamheid.

Koester je konvooi

 De meeste mensen zijn in staat zelf iets te doen om eenzaamheid te voorkomen of eenzaamheid op te lossen. Dat kost wel tijd en energie, die je daarvoor moet vrijmaken.

Zorg er vooral voor dat je konvooi op orde blijft, houd de mensen met wie je betekenisvol contact hebt vast (ook na verhuizen, verandering van baan e.d.). Binnen je konvooi kan je terug vallen op je betekenisvolle contacten met anderen, zoals kinderen of andere familieleden, of op vrienden of vriendinnen. Uiteraard ben jij beschikbaar wanneer mensen in jouw konvooi problemen tegenkomen. Het is daarom belangrijk je netwerk van familie, vrienden, buren en collega’s goed te onderhouden: dat vermindert de kans op eenzaamheid. Als je  merkt dat het ‘niet pluis’ is met een van je konvooi-gezellen stap erop af, ga samen ‘koffie-drinken’ en luister, luister. Overigens is ook het uitvoeren van vrijwilligerswerk een goede remedie tegen eenzaamheid: vrijwilligers maken namelijk gemakkelijk contacten met andere vrijwilligers en zijn dan meestal minder eenzaam dan gemiddeld.

Merk je eenzaamheid op onder mensen van je konvooi, dan moet er gehandeld worden.

 Je kent de belangrijke mensen uit je konvooi. Je kent hen al jaren lang. Je voelt meteen aan dat er soms ‘iets niet pluis is’ met iemand uit je konvooi. Sta open voor gesprek juist ook met deze mensen. Neem de tijd om te luisteren! Maar, weet dat eenmalige of kortstondige contacten met mensen die stek eenzaam zijn, hun gevoel van eenzaamheid alleen maar zal versterken! Eenzame mensen hebben behoefte aan een serie gesprekken, een serie van contacten: duurzaamheid. Geef hen het gevoel terug dat ze belangrijk voor jou zijn, dat ze meetellen. Doe dit eventueel samen met andere mensen uit jullie konvooi.

Omgekeerd mag je aandacht vragen aan je medeleden van het konvooi voor jouw problemen.

Misschien zijn er ook medewerkers, of vrijwilligers te vinden, die tijd kunnen vrijmaken voor een regelmatig weerkerend bezoekje en gesprekje? Eenmalige contacten of bezoekjes alleen met de kerstdagen  helpen niet; vermoedelijk worden de mensen daar alleen maar ernstiger eenzaam van. Dat betekent dat medewerkers, vrijwilligers, maar vooral ook projectbegeleiders langdurig beschikbaar moeten zijn.

Er zijn veel voorbeelden van projecten, die proberen eenzaamheid te verminderen. Veel gemeenten en andere organisaties organiseren koffie-ochtenden voor oudere mensen, een dagje uit met een groep alleenstaanden, een leuke avond theater of film, enz enz. Maar helpen deze activiteiten echt? Wordt eenzaamheid minder door deze inspanningen? In het boek: ‘Aanpak van eenzaamheid: Helpt het?’(2006). Auteurs: Tineke Fokkema & Theo van Tilburg, wordt dieper ingegaan op deze vraag.

Op basis van onderzoek sommen de auteurs een aantal valkuilen op die verbonden kunnen zijn aan het opstarten van projecten om eenzaamheid aan te pakken. Het is heel goed van deze zaken nota te nemen.

In elk geval geldt, dat activiteiten vooral niet als ‘eenzaamheidsbestrijding’ mogen worden neergezet; eenzame mensen worden daardoor afgeschrikt. En denk niet dat vroeger alles beter was: we worden veel ouder (in 1850 bereikten maar twaalf op de honderd meisjes de leeftijd van tachtig jaar en nu tachtig op de honderd) en dat vergroot inderdaad de groep die zich eenzaam zou kunnen voelen. Maar vroeger waren er veel problemen die we nu vrijwel niet meer tegenkomen; dit geldt bijvoorbeeld voor het aantal weeskinderen als gevolg van het vroeg overlijden van één of beide ouders en vroeger was men nog meer bevreesd dan thans om over eigen gevoelens met anderen te spreken.

Neemt eenzaamheid toe? Ja, omdat de groep groter wordt (er worden immers meer mensen ouder dan tachtig), maar er is een tegen-tendens: mensen praten meer en meer diepgaand met kinderen en anderen om hen heen en meer mensen zien dat je het best al op jonge leeftijd kan beginnen met het onderhouden van contacten met andere mensen.

 Inzender: Annelien den Boer (KBO Zuid-Holland)


Hierbij een verslag van mijn bezoek 11 april 2017 aan het symposium “
“Wat als langer thuis niet langer gaat.”

Organisatie: Kenniscentrum Zorginnovatie van Hogeschool Rotterdam i.s.m. de drie ouderenbonden ROB, KBO Rotterdam en PCOB in het samenwerkingsverband OSO Rotterdam.

Het was een dagvullend programma met een viertal presentaties in de morgenuren en een vijftal werkgroepen jong en oud in de middag met een nabeschouwing aan het einde van de sessies.

Het heeft mijn verwachtingen overtroffen en het was een leerzame- begripsvolle dag met een positieve instelling om dingen duidelijk te krijgen.

Presentaties:

Onderwijs / Dementie / Technologie /

Praktijk, makkelijker gezegd dan gedaan

Het begrip langer thuis is stilaan gemeengoed geworden, of een ieder hierin mee kan of wil gaan is tevens het dilemma.

Er zal een andere houding aangenomen moeten worden om dit fenomeen body te geven.

Men gaat er toch wel een beetje vanuit dat oud zijn betekentdat je door anderen geholpen moet worden.

Niets blijkt minder waar en je kunt meer dan je denkt, uitzonderingen daar gelaten.

Meer bewegen, veel buiten en gezamenlijk dingen doen,maakt je al een ander mens in vergelijking in je luie stoel commando’s geven en denken dat een ander het wel voor je opknapt.

Mede hierdoor komt er een nieuwe generatie ouderen die door overleg en vakkundige begeleiding het ver weten te schoppen en zichzelf beter kunnen handhaven in een toch min of meer onzekere toekomst.

Het is duidelijk dat de samenleving en de politiek, landelijk, maar m.n. de lokale overheid niet zijn kop in het zand steekt en voorbereid de “Tsunami” aan ouderen kunnen handelen.

Rotterdam zegt, “wij zijn een jonge stad” maar ook zij krijgen te maken met 30% / 40% meer ouderen de komende 10 jaar.

Er is een plek voor iedereen, maar niet alle plekken zijn voor een ieder geschikt en zal er gewisseld en veranderd moeten worden, wat men liever niet doet of kan betalen.

Als ouderen bijvoorbeeld acht hoog wonen en de lift gaat tot zes moeten de laatste twee verdiepingen met de trap genomen worden en is dat teveel gevraagd en willen ze graag twee etages lager gaan wonen. Dit kost soms teveel of men wil niet ruilen en doet zich direct al een probleem voor.

Het Technologisch aspect gaat nog wel een paar stapjes verder en er zijn nu al personen met implantaten waar bij op afstand meegekeken wordt of er dreigend gevaar opdoemt zodat er adequaat en preventief gehandeld kan worden. Dit als aanvulling op domotica en robotica.

Wat wel heel duidelijk naar voren kwam was de mantelzorg,de dobber van de samenleving. Wij, inclusief overheden, gaan er al automatisch vanuit dat deze dobbers blijven drijven.

Extra aandacht voor de mantelzorger is een must en onontbeerlijk.

Er komt stilaan meer acceptatie voor ouderen, die als maar ouder worden en relatief goed hun partij meeblazen.

Als je 80+ bent geworden kunnen dingen snel veranderen en zal er indien nodig een gepaste woonvorm op maat gevonden moeten worden, liefst in een vertrouwde omgeving om waardig de finale te halen.

Als je het plastisch zou omschrijven denk ik aan de automatiek vanuit onze jeugd, waar je naar hartenlust iets lekkers uit kon trekken. Deze automatiek zou nu zorg moeten serveren naar behoefte en op maat om in je vertrouwde omgeving nog te genieten van wat je nog wel kan of anders geholpen wordt zoals het behoort.

Over de kosten worden we het vooralsnog niet eens en zal er nog een stevig robbertje gevochten moeten worden als je niet kan betalen waar het dan te halen.

Wat mij daar wel duidelijk wordt als je dit soort van symposia bijwoont dat er steeds meer ruimte gemaakt wordt om voor te sorteren op de problemen voor morgen.

Hoe hoger de druk die opgevoerd wordt, zal bepalend zijn voor de oplossingen dienaangaande.

De Tsunami aan ouderen dient zich aan en gelukkig worden we vooraf gewaarschuwd om tijdig hierop te kunnen inspelen om erger te voorkomen.

Het viel mij op hoe gretig de jeugd op het ouderenprobleem ingaat en soms meerdere oplossingen aandragen, waarbij ze zelf heel graag van de partij willen zijn in al hun nuchterheid.

Dit geeft de burger moed, want alom wordt duidelijk dat er nu al een schrijnend tekort aan personeel in de zorg voorzien wordt en men bij lange na niet weet hoe hierop te anticiperen!

Vriendelijke groet,

Piet Boon,
Commissie “Zorg en Welzijn”.

7+